Tropfen

noun
druppel, druppeltje
B1

Tropfen (m.) betekent ‘druppel’ of ‘druppeltje’. Meervoud: Tropfen. Genitief enkelvoud: des Tropfens. Telbaar zelfstandig naamwoord, vaak met hoeveelheden zoals ein paar Tropfen. Veel gebruikt in samenstellingen als Regentropfen en Augentropfen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Die Regentropfen klopften ans Fenster.
De regendruppels tikten tegen het raam.
Ein Tropfen Öl fiel in die Suppe.
Een druppel olie viel in de soep.
Er sammelte jeden Tropfen Wasser in der Schale.
Hij verzamelde elke druppel water in de kom.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTropfen

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Tropfendie Tropfen
genitivedes Tropfensder Tropfen
dativedem Tropfenden Tropfen
accusativeden Tropfendie Tropfen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een enkele waterdruppel voor die aan een blad hangt — die kleine ronde vorm = Tropfen.
👂Klinkt als „trofee” zonder de „ee” — stel je een enkele druppel voor in de vorm van een kleine trofee.
⚧️der Tropfen — onthoud „der” door je een mannelijke regendruppel met een klein hoedje voor te stellen

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Tropfen is mannelijk (der Tropfen). Het wordt gebruikt voor afzonderlijke druppels vloeistof (water, olie, medicijn). In medische contexten komt „Tropfen” vaak in het meervoud voor als „druppels” als dosering (bijv. oogdruppels).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS