noun
tram
B1
Tram betekent ‘tram’. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Tram; meervoud: die Trams. Het is een regionaal of informeel woord, vooral in Zwitserland; in Duitsland zegt men vaker Straßenbahn. Regelmatige verbuiging. Vaak met mit: mit der Tram fahren.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wir fahren mit der Tram in die Altstadt.
We nemen de tram naar de oude stad.
In vielen Städten gibt es eine Tram als öffentliches Verkehrsmittel.
In veel steden is er een tram als openbaar vervoermiddel.
In vielen Städten ist die Tram ein beliebtes Verkehrsmittel.
In veel steden is de tram een populair vervoermiddel.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een lang voertuig voor dat over rails door de stad glijdt.
Hetzelfde als het Engelse ‘tram’ — geen verandering, klinkt identiek.
Vrouwelijk (die) — stel je ‘die Tram’ voor op de zijkant van een stadsaffiche.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Er zijn regionale voorkeuren: «Tram» is gebruikelijk in sommige Duitstalige steden; elders wordt «Straßenbahn» gebruikt. Het geslacht kan in de spreektaal variëren.