verb
dragen, vervoeren, aanhebben
A2
tragen is een sterk werkwoord en betekent ‘dragen’, ‘meenemen’ of ‘aanhebben’ (kleding). Verleden tijd: trug; voltooid deelwoord: getragen; perfekt met haben. In de tegenwoordige tijd verandert a → ä: du/er trägst/trägt. Niet wederkerend en niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Umzugshelfer trug die Kartons die Treppe hoch, obwohl das Wetter so schlecht war, dass es gefährlich erschien.
De verhuishulp droeg de dozen de trap op, hoewel het weer zo slecht was dat het gevaarlijk leek.
Sie trägt eine warme Jacke.
Ze draagt een warme jas.
Er trug einen Hut.
Hij droeg een hoed.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een zware doos draagt of een jas aanheeft.
denk aan ‘tray’ — een dienblad dragen.
n/a
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk werkwoord met klinkerverandering in du/er (träg-).