noun
toerisme
B1
Tourismus betekent ‘toerisme’: reizen voor ontspanning en de sector eromheen. Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Tourismus. Meestal wordt het als een verzamelnaam gebruikt; het meervoud Tourismen bestaat, maar is zeldzaam. Regelmatige verbuiging, zonder vaste prepositie.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Tourismus in der Stadt hat nach der Pandemie wieder zugenommen.
Het toerisme in de stad is na de pandemie weer toegenomen.
Der Tourismus ist ein wichtiger Wirtschaftsfaktor für die Region.
Toerisme is een belangrijke economische factor voor de regio.
Die Stadt investierte in den Tourismus, damit mehr Besucher kämen.
De stad investeerde in toerisme zodat er meer bezoekers zouden komen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Denk aan ‘tour-ism’ — alles draait om rondreizen en bezoekers.
Mannelijk (der) — associeer met ‘der Tourist’ (mannelijke toerist) om ‘der Tourismus’ te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak gebruikt als massanomen (in veel contexten geen meervoud). Verwijst naar de sector en de activiteit van reizende bezoekers.