verb
storen, hinderen, vervelen
A2
stören is een regelmatig werkwoord en betekent ‘storen’, ‘hinderen’ of ‘verstoren’. Voltooid deelwoord: gestört, met haben. Het is transitief: stören jemanden/etwas staat met accusatief. Niet scheidbaar. Veelgebruikt: Bitte stör mich nicht.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Bitte stör mich nicht beim Lernen.
Stoor me alsjeblieft niet terwijl ik aan het leren ben.
Der Baustellenlärm stört die Anwohner.
Het bouwlawaai stoort de omwonenden.
Du hast mich nicht gestört.
Je hebt me niet gestoord.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die wordt onderbroken door een hard geluid en een ‘stör!’-gezicht trekt.
Klinkt als ‘store-ren’ — stel je iemand voor die in een winkel wordt lastiggevallen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
« stören » neemt vaak een lijdend voorwerp (jemanden stören) of wordt onovergankelijk gebruikt (etwas stört). In de tegenwoordige tijd verschijnt umlaut in de vormen du/er/sie: du störst, er stört.