Stoff

noun
materiaal, stof, onderwerp (op school)
B1

Stoff is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘materiaal’, ‘stof’ of ‘lesstof’. Meervoud: Stoffe. Genitief: des Stoffs. Afhankelijk van de betekenis is het telbaar of niet-telbaar. Veel gebruikt voor textiel, grondstoffen en schoolinhoud.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Stoff für das Kleid ist sehr weich.
De stof voor de jurk is heel zacht.
Die Dozentin erklärte, welcher Stoff für das nächste Semester vorgesehen war, damit die Studierenden sich vorbereiten konnten.
De docente legde uit welke stof voor het volgende semester was gepland, zodat de studenten zich konden voorbereiden.
Sie kaufte bunten Stoff, um Vorhänge zu nähen.
Ze kocht kleurrijke stof om gordijnen te naaien.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALStoffe

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Stoffdie Stoffe
genitivedes Stoffsder Stoffe
dativedem Stoffden Stoffen
accusativeden Stoffdie Stoffe

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een rol stof voor met het label «STOFF» in een fabriek.
👂Klinkt als het Engelse «stuff» — onthoud: Stoff = stuff/materiaal.
⚧️der — stel je een mannelijke kleermaker (der Schneider) voor die de stof vasthoudt.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

«Stoff» betekent meestal materiaal of stof; in een onderwijscontext kan het ook de leerstof of het behandelde onderwerp betekenen.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS