noun
kasteel
A2
Schloss (das) betekent vooral ‘kasteel’ of ‘paleis’; in sommige contexten ook ‘slot’ als sluitmechanisme. Onzijdig zelfstandig naamwoord, meervoud Schlösser met umlaut. Je zegt: das Schloss, des Schlosses.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Schloss ist sehr alt.
Het kasteel is heel oud.
Das Schloss ist eine beliebte Touristenattraktion.
Het kasteel is een populaire toeristische attractie.
Die Gemeinde organisierte eine Führung in dem Schloss, weil viele Besucher Fragen hatten.
De gemeente organiseerde een rondleiding in het kasteel, omdat veel bezoekers vragen hadden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een groot stenen kasteel met torens voor — «Schloss» = kasteel.
das (onzijdig) — stel je een kasteel voor met een klein «das»-vlaggetje.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een van de betekenissen van « Schloss » is «kasteel» (architectuur). Een andere veelvoorkomende betekenis is «slot» (zie aparte ingang).