Pflaster

noun
pleister, verband, straatsteen, kasseien
B1

Pflaster is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Pflaster, meervoud hetzelfde: die Pflaster. Het betekent vooral een pleister voor een wond of een geplaveide straat/keienweg. De context bepaalt de betekenis; het woord komt veel voor in het dagelijks taalgebruik.

Voorbeelden

Das alte Pflaster in der Altstadt ist uneben und schwierig zum Laufen.
De oude kasseien in de oude stad zijn oneffen en moeilijk om op te lopen.
Das Pflaster vor dem Haus ist nach dem Regen sehr rutschig.
De stoep voor het huis is na de regen erg glad.
Ich brauche ein Pflaster für meine Blase.
Ik heb een pleister nodig voor mijn blaar.

Details

MeervoudPflaster

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Pflasterdie Pflaster
genitivedes Pflastersder Pflaster
dativedem Pflasterden Pflastern
accusativedas Pflasterdie Pflaster

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een klein zelfklevend verband voor dat op een knie zit; dat beeld koppelt het woord aan wonden en eerste hulp.
👂Klinkt als Engels « plaster » (een verband) — dezelfde basisbetekenis.
⚧️das (onzijdig) — denk aan een klein neutraal gekleurd ‘pleistertje’ met ‘das’ erop, op de huid geplakt.

Opmerkingen

Pflaster kan een zelfklevend verband betekenen (Brits Engels « plaster », Amerikaans Engels « band-aid » of « adhesive bandage ») of het verharde oppervlak van stenen (pavement/cobblestones). De context laat zien welke betekenis bedoeld is: in een apotheek is het de verbandbetekenis, in stedelijke beschrijvingen de bestratingsbetekenis.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek