verb
planten, verplanten
B1
pflanzen is een zwak werkwoord en betekent ‘planten’ of ‘verplanten’. Het staat meestal met een lijdend voorwerp in de accusatief: einen Baum pflanzen. Niet-reflexief, met haben in het perfekt: gepflanzt.
Voorbeelden
Er pflanzte einen Baum.
Hij plantte een boom.
Wir wollen heute Blumen pflanzen.
We willen vandaag bloemen planten.
Im Herbst kann man Bäume verpflanzen oder an einem neuen Ort pflanzen.
In de herfst kun je bomen verplanten of op een nieuwe plek planten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een klein plantje in de aarde duwt en «pflanzen» zegt terwijl je het in de grond zet.
Lijkt op Engels «plant» — «pflanzen» klinkt als «plants» met een «pf»-klank.
Opmerkingen
Een veelgebruikt regelmatig werkwoord in de tuinbouw. Het komt voor in samenstellingen (einpflanzen, verpflanzen).