Pech

noun
pech, ongeluk, teer, pek
B1

Pech betekent ‘pech, ongeluk’ of ook ‘pek/teer’ als materiaal. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Pech, zonder meervoud. Heel gebruikelijk in de uitdrukking Pech haben = pech hebben. De context bepaalt de betekenis.

Voorbeelden

Der Wanderer hatte Pech, weil sein Zelt durch den Sturm nass wurde.
De wandelaar had pech, omdat zijn tent door de storm nat werd.
Er hatte Pech und hat den Bus verpasst.
Hij had pech en miste de bus.
Die Arbeiter reparierten das Dach mit flüssigem Pech.
De arbeiders repareerden het dak met vloeibare teer.

Details

Meervoudno plural

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Pechnot applicable
genitivedes Pechsnot applicable
dativedem Pechnot applicable
accusativedas Pechnot applicable

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die uitglijdt over een plek zwarte teer — pech en letterlijk «Pech» (teer).
⚧️das — stel je een neutrale klomp zwarte teer voor in een klein bakje (een «ding» dat Pech heet).

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt als massanaamwoord in de betekenis van «pech» (Pech haben). Een oudere betekenis is ook «pek» of «teer» als stof. | Alleen enkelvoud; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek