noun
pech, ongeluk, teer, pek
B1
Pech betekent ‘pech, ongeluk’ of ook ‘pek/teer’ als materiaal. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Pech, zonder meervoud. Heel gebruikelijk in de uitdrukking Pech haben = pech hebben. De context bepaalt de betekenis.
Voorbeelden
Der Wanderer hatte Pech, weil sein Zelt durch den Sturm nass wurde.
De wandelaar had pech, omdat zijn tent door de storm nat werd.
Er hatte Pech und hat den Bus verpasst.
Hij had pech en miste de bus.
Die Arbeiter reparierten das Dach mit flüssigem Pech.
De arbeiders repareerden het dak met vloeibare teer.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die uitglijdt over een plek zwarte teer — pech en letterlijk «Pech» (teer).
das — stel je een neutrale klomp zwarte teer voor in een klein bakje (een «ding» dat Pech heet).
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt als massanaamwoord in de betekenis van «pech» (Pech haben). Een oudere betekenis is ook «pek» of «teer» als stof. | Alleen enkelvoud; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.