noun
apparaat, toestel
A2
Gerät betekent ‘apparaat’, ‘toestel’ of ‘device’. In het Duits is het onzijdig: das Gerät, meervoud die Geräte. Genitief enkelvoud vaak des Geräts, datief meervoud den Geräten. Veel gebruikt in technische context en samenstellingen.
Voorbeelden
Das neue Gerät funktioniert sehr gut.
Het nieuwe apparaat werkt heel goed.
Die Techniker reparierten das Gerät, weil es im Sturm beschädigt worden war.
De technici repareerden het apparaat, omdat het tijdens de storm beschadigd was geraakt.
Bitte lesen Sie die Bedienungsanleitung des Geräts.
Lees alstublieft de gebruiksaanwijzing van het apparaat.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein elektronisch apparaat voor met het label „Gerät”.
Gerät — klinkt als „gadget” (apparaat).
das (onzijdig) — stel je een neutraal grijs apparaat voor met het label „das Gerät”.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt voor technische apparaten en huishoudelijke toestellen. Meervoud: Geräte.