noun
noorden
A1
Norden (m.) betekent ‘noorden’ als windrichting of als regio. Het meervoud is gelijk: Norden. Veelgebruikte uitdrukking: im Norden. Genitief: des Nordens. Mannelijk zelfstandig naamwoord met verder gewone verbuiging; in de genitief komt -s voor.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Familie fuhr in den Norden, weil sie dort frische Luft suchte und die Küste ruhiger war als zuhause.
Het gezin reed naar het noorden, omdat het daar op zoek was naar frisse lucht en de kust er rustiger was dan thuis.
Hamburg liegt im Norden von Deutschland.
Hamburg ligt in het noorden van Duitsland.
Im Norden ist das Klima kälter als im Süden.
In het noorden is het klimaat kouder dan in het zuiden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kompas voor dat naar het noorden wijst
Norden — ‘north’ in het Duits; klinkt als ‘nord’ + ‘en’
Der Norden — mannelijk; denk aan ‘der Nordpol’ (de Noordpool)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vaak gebruikt in geografische beschrijvingen; kan met het bepaald lidwoord «der Norden» of zonder lidwoord worden gebruikt.