noun
persoon, mens
A1
Mensch betekent ‘mens’ of ‘persoon’, soms ook ‘de mensheid’. Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Mensch. Het is een zwak zelfstandig naamwoord: des/dem/den Menschen, die Menschen. Onregelmatige verbuiging.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Freiwillige verteilten Wasser an die Menschen, weil viele Häuser überflutet waren.
Vrijwilligers deelden water uit aan de mensen, omdat veel huizen onder water stonden.
Der Mensch ist ein soziales Wesen.
De mens is een sociaal wezen.
Jeder Mensch hat Rechte.
Ieder mens heeft rechten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een pictogram van één persoon voor — dat is een Mensch
der Mensch — denk aan «der» als aan «the man», maar dan generiek gebruikt voor mensen
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikt «der» zelfs wanneer naar vrouwen wordt verwezen; meervoud is «Menschen».