Mitglied

noun
lid, lidmaat, organisatielid
B1

Mitglied betekent ‘lid’, vooral van een organisatie of groep. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Mitglied. Meervoud: die Mitglieder. Let op de genitief enkelvoud: des Mitglieds, met -s, wat voor een onzijdig woord wat opvallend is. Verder is de verbuiging regelmatig.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Ich bin Mitglied in einem Sportverein.
Ik ben lid van een sportclub.
Als Mitglied hast du bestimmte Rechte und Pflichten.
Als lid heb je bepaalde rechten en plichten.
Sie ist seit fünf Jahren Mitglied in diesem Verein.
Zij is al vijf jaar lid van deze vereniging.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALMitglieder

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedas Mitglieddie Mitglieder
genitivedes Mitgliedsder Mitglieder
dativedem Mitgliedden Mitgliedern
accusativedas Mitglieddie Mitglieder

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️een lidmaatschapskaart met het woord 'Mitglied' erop
👂MIT-lid — denk aan een club-'deksel' (badge) op een lid
⚧️das — onthoud het onzijdig door te denken aan 'das Mitglied' waarbij de '-d'-uitgang past bij 'das'

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Het meervoud is Mitglieder. In veel organisatorische contexten wordt Mitglied gebruikt met het voorzetsel in (Mitglied in einem Verein) of als (als Mitglied).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS