noun
lid, lidmaat, organisatielid
B1
Mitglied betekent ‘lid’, vooral van een organisatie of groep. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Mitglied. Meervoud: die Mitglieder. Let op de genitief enkelvoud: des Mitglieds, met -s, wat voor een onzijdig woord wat opvallend is. Verder is de verbuiging regelmatig.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich bin Mitglied in einem Sportverein.
Ik ben lid van een sportclub.
Als Mitglied hast du bestimmte Rechte und Pflichten.
Als lid heb je bepaalde rechten en plichten.
Sie ist seit fünf Jahren Mitglied in diesem Verein.
Zij is al vijf jaar lid van deze vereniging.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een lidmaatschapskaart met het woord 'Mitglied' erop
MIT-lid — denk aan een club-'deksel' (badge) op een lid
das — onthoud het onzijdig door te denken aan 'das Mitglied' waarbij de '-d'-uitgang past bij 'das'
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Het meervoud is Mitglieder. In veel organisatorische contexten wordt Mitglied gebruikt met het voorzetsel in (Mitglied in einem Verein) of als (als Mitglied).