noun
markt
A2
Markt is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘markt’ of ‘marktplein’, maar ook ‘markt’ in economische zin. Meervoud: Märkte. Genitief enkelvoud: des Marktes. Gewone verbuiging, met umlaut in het meervoud. Veel gebruikt in handel, weekmarkten en economie.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich kaufe Obst auf dem Markt.
Ik koop fruit op de markt.
Weil der Bauer seine Waren auf dem Markt anbot, konnten die Einwohner frische Lebensmittel kaufen.
Omdat de boer zijn waren op de markt aanbood, konden de inwoners verse levensmiddelen kopen.
Auf dem Markt gibt es frisches Obst und Gemüse.
Op de markt zijn verse groenten en fruit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een stadsplein voor met kraampjes en een groot bord «MARKT» erboven.
Klinkt als «mark» — een plek waar dingen worden verhandeld (een markt).
der Markt — denk aan «der» en «d-stand» (markten zijn ‘duidelijke’ plaatsen) om het mannelijke geslacht te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend alledaags zelfstandig naamwoord; meervoud: Märkte. Wordt vaak gebruikt voor zowel openluchtmarkten als in de context van de markteconomie.