Lust

noun
zin, lust, begeerte
A2

Lust (v.) betekent vooral ‘zin’, ‘begeerte’ of ‘plezier’. Veelgebruikte uitdrukking: Lust auf etwas haben, met auf + accusatief. Onregelmatig meervoud: Lüste. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met gewone verbuiging. Komt vaak voor in spreektaal en kan afhankelijk van de context ook een seksuele bijklank hebben.

Voorbeelden

Ich habe Lust auf Schokolade.
Ik heb zin in chocolade.
Er arbeitet nicht aus Pflicht, sondern aus Lust an der Sache.
Hij werkt niet uit plicht, maar uit plezier in de zaak.
Ich habe Lust.
Ik heb er zin in.

Details

MeervoudLüste

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Lustdie Lüste
genitiveder Lustder Lüste
dativeder Lustden Lüsten
accusativedie Lustdie Lüste

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die met een glimlach iets wil doen
👂Klinkt als het Engelse „lust” (hetzelfde woord) — denk aan verlangen of eetlust
⚧️die Lust — vrouwelijk: stel je een dame voor die enthousiast is over een hobby

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt in vaste uitdrukkingen: «Lust auf (etwas) haben» = zin hebben in iets. Het meervoud «Lüste» wordt in sommige contexten gebruikt.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek