noun
zin, lust, begeerte
A2
Lust (v.) betekent vooral ‘zin’, ‘begeerte’ of ‘plezier’. Veelgebruikte uitdrukking: Lust auf etwas haben, met auf + accusatief. Onregelmatig meervoud: Lüste. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met gewone verbuiging. Komt vaak voor in spreektaal en kan afhankelijk van de context ook een seksuele bijklank hebben.
Voorbeelden
Ich habe Lust auf Schokolade.
Ik heb zin in chocolade.
Er arbeitet nicht aus Pflicht, sondern aus Lust an der Sache.
Hij werkt niet uit plicht, maar uit plezier in de zaak.
Ich habe Lust.
Ik heb er zin in.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die met een glimlach iets wil doen
Klinkt als het Engelse „lust” (hetzelfde woord) — denk aan verlangen of eetlust
die Lust — vrouwelijk: stel je een dame voor die enthousiast is over een hobby
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt in vaste uitdrukkingen: «Lust auf (etwas) haben» = zin hebben in iets. Het meervoud «Lüste» wordt in sommige contexten gebruikt.