adjective
grappig, komisch
A1
lustig betekent ‘grappig’ of ‘leuk’. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat kan worden vergeleken: lustiger, am lustigsten. Het beschrijft personen, verhalen of situaties en kan soms ironisch klinken.
Voorbeelden
Er erzählt eine lustige Geschichte.
Hij vertelt een grappig verhaal.
Der Komiker erzählte viele lustige Geschichten, obwohl einige Zuhörer müde waren.
De komiek vertelde veel grappige verhalen, hoewel sommige toehoorders moe waren.
Der Film war sehr lustig.
De film was erg grappig.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die hard lacht van plezier — ‘lustig’ = grappig.
Klinkt een beetje als ‘lusty’ — denk aan een stevige lach.
Opmerkingen
Vergelijkbaar bijvoeglijk naamwoord. Vergrotende trap: lustiger, overtreffende trap: am lustigsten.