lernen

verb
leren, studeren
A1

lernen betekent ‘leren’ of ‘studeren’. Het is een regelmatig zwak werkwoord en vormt het perfect met haben: ich habe gelernt. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Voltooid deelwoord: gelernt; tegenwoordig deelwoord: lernend. Veel gebruikt voor kennis opdoen en examenvoorbereiding.

Voorbeelden

Ich lerne Deutsch.
Ik leer Duits.
Ich habe viel gelernt.
Ik heb veel geleerd.
Sie lernte schnell.
Ze leerde snel.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es lernt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es lernte
Perfekter/sie/es hat gelernt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je boeken voor met 'learn' op de kaft gestempeld.
👂learn + en — onthoud 'learn' met een extra lettergreep

Opmerkingen

Regelmatig zwak werkwoord. Kan afhankelijk van de context betekenen: 'leren' (kennis opdoen) of 'studeren' (zich voorbereiden op een toets).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichlerne
dulernst
er/sie/eslernt
wirlernen
ihrlernt
sie/Sielernen
ichwerde gelernt
duwirst gelernt
er/sie/eswird gelernt
wirwerden gelernt
ihrwerdet gelernt
sie/Siewerden gelernt
ichlerne
dulernest
er/sie/eslerne
wirlernen
ihrlernet
sie/Sielernen
ichwerde gelernt
duwerdest gelernt
er/sie/eswerde gelernt
wirwerden gelernt
ihrwerdet gelernt
sie/Siewerden gelernt
ichlernte
dulerntest
er/sie/eslernte
wirlernten
ihrlerntet
sie/Sielernten
ichwürde gelernt
duwürdest gelernt
er/sie/eswürde gelernt
wirwürden gelernt
ihrwürdet gelernt
sie/Siewürden gelernt
dulern!
ihrlernt!
SieLernen