verb
kunnen, in staat zijn
A1
können is een modaal werkwoord en betekent ‘kunnen’ of ‘in staat zijn’. Het is onregelmatig (ich kann, du kannst) en vormt het perfect met haben: ich habe gekonnt. Het staat meestal met een infinitief.
Voorbeelden
Ich habe das nicht gekonnt.
Ik kon dat niet.
Er konnte gut schwimmen.
Hij kon goed zwemmen.
Ich kann heute nicht kommen.
Ik kan vandaag niet komen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor die een sleutel met het label «KÖNNEN» vasthoudt en daarmee vaardigheid ontgrendelt.
Denk aan het Engelse «can» — vergelijkbare betekenis.
Opmerkingen
können is een modaal werkwoord en heeft onregelmatige vormen (ich kann). Modale werkwoorden hebben zelden een standaard informele gebiedende wijs in het enkelvoud; in de praktijk vermijdt men die vorm of gebruikt men volledige zinnen (bijv. «Kannst du...? »). Modale werkwoorden vormen normaal geen lijdende vorm; passieve vormen zijn niet van toepassing.