können

verb
kunnen, in staat zijn
A1

können is een modaal werkwoord en betekent ‘kunnen’ of ‘in staat zijn’. Het is onregelmatig (ich kann, du kannst) en vormt het perfect met haben: ich habe gekonnt. Het staat meestal met een infinitief.

Voorbeelden

Ich habe das nicht gekonnt.
Ik kon dat niet.
Er konnte gut schwimmen.
Hij kon goed zwemmen.
Ich kann heute nicht kommen.
Ik kan vandaag niet komen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingenö -> a in 1st/3rd person singular (ich kann, er kann)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es kann
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es konnte
Perfekter/sie/es hat gekonnt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een persoon voor die een sleutel met het label «KÖNNEN» vasthoudt en daarmee vaardigheid ontgrendelt.
👂Denk aan het Engelse «can» — vergelijkbare betekenis.

Opmerkingen

können is een modaal werkwoord en heeft onregelmatige vormen (ich kann). Modale werkwoorden hebben zelden een standaard informele gebiedende wijs in het enkelvoud; in de praktijk vermijdt men die vorm of gebruikt men volledige zinnen (bijv. «Kannst du...? »). Modale werkwoorden vormen normaal geen lijdende vorm; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichkann
dukannst
er/sie/eskann
wirkönnen
ihrkönnt
sie/Siekönnen
ichkönne
dukönnest
er/sie/eskönne
wirkönnen
ihrkönnet
sie/Siekönnen
ichkönnte
dukönntest
er/sie/eskönnte
wirkönnten
ihrkönntet
sie/Siekönnten
dunot applicable
ihrkönnt!
Sienot applicable