Knochen

noun
bot, beenderen
B1

Knochen (m.) betekent ‘bot’ of ‘beenderen’. Het meervoud heeft dezelfde vorm: die Knochen, dus het getal blijkt vooral uit lidwoord en context. Genitief enkelvoud: des Knochens. Veel gebruikt in anatomie en uitdrukkingen.

Voorbeelden

Die Knochen des Skeletts wurden sorgfältig beschriftet.
De botten van het skelet werden zorgvuldig gelabeld.
Der Hund hat einen Knochen im Garten vergraben.
De hond heeft een bot in de tuin begraven.
Der Hund vergrub den Knochen im Garten, weil es draußen nass war.
De hond begroef het bot in de tuin omdat het buiten nat was.

Details

MeervoudKnochen

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Knochendie Knochen
genitivedes Knochensder Knochen
dativedem Knochenden Knochen
accusativeden Knochendie Knochen

Ezelsbruggetjes

👁️stel je een witte botvorm voor zoals in een tekenfilm
👂klinkt als «no-ken» — denk aan «geen snoep» om de harde structuur te onthouden
⚧️der Knochen — «der» zoals bij andere stevige, enkelvoudige voorwerpen (sterk, mannelijk)

Opmerkingen

Verwijst naar een bot (enkelvoud) of botten (meervoud). Komt vaak voor in anatomische contexten; het meervoud is vaak gelijk van vorm of «Knochen» voor beide.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek