noun
bot, beenderen
B1
Knochen (m.) betekent ‘bot’ of ‘beenderen’. Het meervoud heeft dezelfde vorm: die Knochen, dus het getal blijkt vooral uit lidwoord en context. Genitief enkelvoud: des Knochens. Veel gebruikt in anatomie en uitdrukkingen.
Voorbeelden
Die Knochen des Skeletts wurden sorgfältig beschriftet.
De botten van het skelet werden zorgvuldig gelabeld.
Der Hund hat einen Knochen im Garten vergraben.
De hond heeft een bot in de tuin begraven.
Der Hund vergrub den Knochen im Garten, weil es draußen nass war.
De hond begroef het bot in de tuin omdat het buiten nat was.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een witte botvorm voor zoals in een tekenfilm
klinkt als «no-ken» — denk aan «geen snoep» om de harde structuur te onthouden
der Knochen — «der» zoals bij andere stevige, enkelvoudige voorwerpen (sterk, mannelijk)
Opmerkingen
Verwijst naar een bot (enkelvoud) of botten (meervoud). Komt vaak voor in anatomische contexten; het meervoud is vaak gelijk van vorm of «Knochen» voor beide.