verb
grijpen, pakken, vastgrijpen
B1
greifen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent ‘grijpen’, ‘pakken’ of ‘naar iets reiken’. Voltooid deelwoord: gegriffen, met haben. Het werkwoord is niet scheidbaar. Vaak met nach + datief: nach etwas greifen = naar iets reiken.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich greife nach dem Buch.
Ik reik naar het boek.
Er griff nach der Kaffeetasse.
Hij greep naar het koffiekopje.
Die Polizei griff den Verdächtigen nach kurzer Verfolgung.
De politie pakte de verdachte na een korte achtervolging.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een hand voor die snel om een voorwerp sluit om het te 'grijpen'.
Denk aan 'grip' — vergelijkbare klank en betekenis.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk (onregelmatig) werkwoord. Vaak gebruikt voor letterlijk grijpen of figuurlijk 'grijpen' van kansen. De formele gebiedende wijs (Sie) wordt hier niet gegeven omdat die het voornaamwoord 'Sie' vereist en voornaamwoorden niet zijn toegestaan in vervoegingsvelden.