gleich

adjective
hetzelfde, meteen, direct
A1

gleich (adjectief) betekent ‘gelijk’, ‘hetzelfde’ of ‘identiek’. Meestal is het niet gradabel. Antoniemen: verschieden, anders, ungleich. Het wordt attributief of predicatief gebruikt en buigt mee met geslacht, naamval en getal. Niet verwarren met het bijwoord gleich = ‘meteen’.

Voorbeelden

Wir haben das gleiche Auto.
We hebben dezelfde auto.
Die beiden Teams trugen das gleiche Trikot, obwohl das Wetter schlecht war.
De twee teams droegen hetzelfde shirt, hoewel het weer slecht was.
Ich komme gleich zurück.
Ik kom zo terug.

Details

VergelijkbaarNee
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee identieke voorwerpen naast elkaar voor met het label 'gleich'.
👂klinkt als 'like' met een g ervoor.

Opmerkingen

Gleich kan afhankelijk van de context 'gelijk/hetzelfde' of 'over een moment/meteen' betekenen; niet verwarren met 'glatt' of 'gleichzeitig'.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek