adjective
hetzelfde, meteen, direct
A1
gleich (adjectief) betekent ‘gelijk’, ‘hetzelfde’ of ‘identiek’. Meestal is het niet gradabel. Antoniemen: verschieden, anders, ungleich. Het wordt attributief of predicatief gebruikt en buigt mee met geslacht, naamval en getal. Niet verwarren met het bijwoord gleich = ‘meteen’.
Voorbeelden
Wir haben das gleiche Auto.
We hebben dezelfde auto.
Die beiden Teams trugen das gleiche Trikot, obwohl das Wetter schlecht war.
De twee teams droegen hetzelfde shirt, hoewel het weer slecht was.
Ich komme gleich zurück.
Ik kom zo terug.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee identieke voorwerpen naast elkaar voor met het label 'gleich'.
klinkt als 'like' met een g ervoor.
Opmerkingen
Gleich kan afhankelijk van de context 'gelijk/hetzelfde' of 'over een moment/meteen' betekenen; niet verwarren met 'glatt' of 'gleichzeitig'.