noun
fluit
B1
Flöte betekent ‘fluit’, het muziekinstrument. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Flöte; meervoud Flöten. Regelmatige verbuiging: der Flöte in genitief en datief enkelvoud. Veel gebruikt in muzikale context, bij lessen, orkesten en blaasinstrumenten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Lehrerin gab dem Schüler die Flöte, die er im Musikunterricht benutzen sollte, weil er das Lied schon kannte.
De lerares gaf de leerling de fluit die hij in de muziekles moest gebruiken, omdat hij het lied al kende.
Sie spielt seit ihrer Kindheit Flöte.
Ze speelt sinds haar kindertijd fluit.
Sie spielt die Flöte jedes Wochenende.
Ze speelt elk weekend dwarsfluit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een slanke houten fluit voor met vingergaten en het woord «Flöte» erin gegraveerd.
Klinkt als het Engelse «flute»; de ö kun je onthouden door het te laten klinken als de «oe» in «flute».
Die Flöte — denk aan «die» als het «delicate» (vrouwelijke) instrument; vrouwelijke lidwoorden gaan in het Duits vaak met muziekinstrumenten samen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Vaak in muzikale context; meervoud is «Flöten». Niet verwarren met «Flotte» (vloot).