Brot

noun
brood
A1

Brot betekent „brood”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Brot; meervoud: die Brote als het om losse broden of broden als stuks gaat. Vaak is het een massanaamwoord. Genitief: des Brotes. Veelgebruikt in keuken en dagelijks leven.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Nachdem der Bäcker frisches Brot buk, sagte er, dass es am nächsten Tag ausverkauft war.
Nadat de bakker vers brood had gebakken, zei hij dat het de volgende dag uitverkocht zou zijn.
Ich kaufe ein frisches Brot beim Bäcker.
Ik koop een vers brood bij de bakker.
Brot kaufe ich immer beim Bäcker.
Ik koop altijd brood bij de bakker.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALdie Brote

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedas Brotdie Brote
genitivedes Brotesder Brote
dativedem Brotden Broten
accusativedas Brotdie Brote

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een brood voor met een snee eruit.
👂Rijmt op Engels «boat», maar met een «r» — denk aan een brood.
⚧️Onthoud «das Brot» — veel voedingsmiddelen zijn onzijdig («das»).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

In sommige gebruiken niet-telbaar (een brood vs brood in het algemeen). Veelvoorkomend in de dagelijkse woordenschat.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS