noun
balkon
A1
Balkon (m.) betekent ‘balkon’: een buitenplatform aan een gebouw, vaak bereikbaar vanuit een kamer. Meervoud: Balkone. Genitief: des Balkons. Een heel gewoon woord in het dagelijks leven; informeel komt ook Balkons voor.
Voorbeelden
Auf dem Balkon tranken die Nachbarn Kaffee, während die Kinder im Garten spielten.
Op het balkon dronken de buren koffie terwijl de kinderen in de tuin speelden.
Im Sommer frühstücke ich oft auf dem Balkon.
In de zomer ontbijt ik vaak op het balkon.
Ich möchte am Wochenende auf dem Balkon grillen.
Ik wil dit weekend op het balkon barbecueën.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een balkon voor met planten en een tafel met het label «Balkon».
Klinkt als het Engelse «balcony».
der — stel je een mannelijke buurman voor die op het balkon rookt (der Balkon).
Opmerkingen
Meervoud kan «Balkone» zijn of informeel «Balkons».