Präpositionen (Voorzetsels)
Kleine woordjes, grote impact. Leer welke naamval (Akkusativ/Dativ) je bij welk voorzetsel gebruikt.
A1 Onderwerpen niveau A1
Voorzetsels (Accusatief)
Beheers de Duitse voorzetsels met de accusatief. Leer het FUDGE-ezelsbruggetje om für, um, durch, gegen, entlang en ohne gemakkelijk te onthouden.
Voorzetsels (Datief)
Leer de Duitse voorzetsels met de datief: aus, außer, bei, mit, nach, seit, von, zu. Ontdek hoe ze de naamval van het naamwoord veranderen.
Plaats en Tijd
Begrijp hoe je Duitse plaatselijke en tijdelijke voorzetsels correct gebruikt om locaties (waar) en tijdskaders (wanneer) te beschrijven.
A2 Onderwerpen niveau A2
B1 Onderwerpen niveau B1
Voorzetsels (Genitief)
Leer de essentiële Duitse voorzetsels met de genitief: wegen, während en trotz. Begrijp wanneer je ze gebruikt in formele versus gesproken taal.
Vaste voorzetsels
Beheers Duitse werkwoorden met vaste voorzetsels. Onthoud veelvoorkomende combinaties zoals 'warten auf' en hun bijbehorende naamvallen.
Da-woorden
Leer hoe je Duitse voornaamwoordelijke bijwoorden gebruikt: de da-woorden en wo-woorden. Houd je zinnen kort door terug te verwijzen naar ideeën.