A2

Keuzevoorzetsels (Wechselpräpositionen) ↔️🤷‍♂️🇳🇱

Keuzevoorzetsels (Wechselpräpositionen) kunnen zowel de accusatief als de datief krijgen. De regel is simpel: als er sprake is van actieve beweging naar een nieuwe bestemming (vraag 'Wohin?'), gebruik dan de accusatief. Is er geen beweging of beweging binnen dezelfde ruimte (vraag 'Wo?'), gebruik dan de datief.

Infographic die de Duitse keuzevoorzetsels toont (in, an, auf, neben, hinter, über, unter, vor, tussen).

Dit zijn de rebellen onder de voorzetsels. Soms willen ze de Accusatief, en soms de Datief. Ze "wisselen" (wechseln) afhankelijk van de situatie.

De 9 Wisselaars

in, an, auf, neben, hinter, über, unter, vor, tussen.

De Gouden Regel: Beweging vs. Locatie 🏃‍♂️ vs. 🧘

Om te bepalen welke naamval je moet gebruiken, stel je jezelf de vraag: Is er beweging van A naar B?

1. De vraag "Wohin?" (Waarheen?) ➔ Accusatief (4e) 🇳🇱

Als je BEWEEGT naar een nieuwe plek of positie, gebruik je de Accusatief.

  • Ich gehe in die Küche. (Ik ga de keuken in.) — Beweging! 🏃‍♂️
  • Ich lege das Buch auf den Tisch. (Ik leg het boek op de tafel.) — Actie!

2. De vraag "Wo?" (Waar?) ➔ Datief (3e) 🇳🇱

Als je ER AL BENT of beweegt binnen dezelfde ruimte, gebruik je de Datief.

  • Ich bin in der Küche. (Ik ben in de keuken.) — Statisch! 🧘
  • Das Buch liegt auf dem Tisch. (Het boek ligt op de tafel.) — Rustend!
Voorzetsel Betekenis Accusatief (Waarheen?) Datief (Waar?)
in in / naar binnen ins Kino (naar de bios) im Kino (in de bios)
auf op / naar op auf den Berg (de berg op) auf dem Berg (op de berg)
an aan / naar aan an die Wand (tegen de muur) an der Wand (aan de muur)

[!CAUTION]
Zetten vs. Staan / Leggen vs. Liggen 🇳🇱
In het Nederlands hebben we deze handige paren ook!

  • Legen (Leggen - Actie) gebruikt de Accusatief.
  • Liegen (Liggen - Toestand) gebruikt de Datief.
  • Stellen (Zetten - Actie) gebruikt de Accusatief.
  • Stehen (Staan - Toestand) gebruikt de Datief.

💡 De afkortingen: Im/Ins/Am/Ans

Duitsers houden van korte woordjes:

  • in + das = ins
  • in + dem = im
  • an + das = ans
  • an + dem = am

Zie ook...

🎯

Klaar om te oefenen?

Train your preposition usage!

Start quiz