noun
tweede taal, L2
B1
Zweitsprache is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘tweede taal’ of L2, dus een taal die je na je moedertaal leert. Meervoud: Zweitsprachen. Samenstelling van zweit + Sprache. Veel gebruikt in taalkunde en taalonderwijs.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
In der Hochschule wird oft empfohlen, eine Zweitsprache zu vertiefen.
Aan de universiteit wordt vaak aangeraden je kennis van een tweede taal te verdiepen.
Deutsch ist für viele Leute eine Zweitsprache.
Duits is voor veel mensen een tweede taal.
Die Schule bot eine Zweitsprache an, damit die Schüler bessere Chancen hätten, wenn sie im Ausland arbeiten wollten.
De school bood een tweede taal aan, zodat de leerlingen betere kansen zouden hebben als ze in het buitenland wilden werken.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een schoolboek voor met het label «L2» en een groot cijfer 2 erop om «Zweitsprache» te onthouden.
«Zweit-» klinkt als «tweede» (twee) — dat herinnert je eraan dat het de tweede taal is.
DIE Zweitsprache — stel je een vrouwelijke lerares voor met het label «DIE» die de tweede taal onderwijst.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verwijst naar een geleerde taal die niet de moedertaal is (L2). Veelgebruikt in onderwijs- en taalkundige contexten.