noun
dierentuin, zoo
A2
Zoo, de: mannelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘dierentuin’ of ‘zoologische tuin’. Meervoud: Zoos. Veelgebruikt woord voor een uitje met familie of school; ook bekend als Tierpark of Zoologischer Garten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wir gehen in den Zoo.
We gaan naar de dierentuin.
Die Schüler besuchten den Zoo, weil sie die exotischen Tiere sehen wollten.
De leerlingen bezochten de dierentuin omdat ze de exotische dieren wilden zien.
Die Kinder möchten am Samstag in den Zoo gehen.
De kinderen willen zaterdag naar de dierentuin gaan.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je de ingang van een dierentuin voor met een groot bord ‘Zoo’
hetzelfde als Engels ‘zoo’
der Zoo — mannelijk; denk aan ‘der’ bij openbare plaatsen
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Mannelijk zelfstandig naamwoord; meervoud vaak «Zoos».