noun
circus
A2
Zirkus, de: mannelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘circus’, een rondreizende voorstelling met acrobaten, dieren en acts. Meervoud: Zirkusse. Ook figuurlijk gebruikt voor drukte, chaos of gedoe.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wir gehen am Wochenende in den Zirkus.
We gaan dit weekend naar het circus.
Wir gehen in den Zirkus.
We gaan naar het circus.
Die Kinder fuhren zum Zirkus, weil sie eine bunte Vorstellung sehen wollten.
De kinderen gingen naar het circus omdat ze een kleurrijke voorstelling wilden zien.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een grote circustent voor met kleurrijke vlaggetjes en het woord ‘Zirkus’
zoals Engels ‘circus’ — Zirkus
der Zirkus — mannelijk; denk aan ‘der’ bij levendige openbare plaatsen/evenementen
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Komt historisch ook voor als ‘Circus’ in sommige teksten; mannelijk zelfstandig naamwoord.