Wein

noun
wijn
A1

Wein (der) betekent ‘wijn’. Mannelijk; meervoud: die Weine. Meestal gebruik je het als niet-telbaar woord voor wijn in het algemeen, maar het meervoud dient voor soorten of flessen. Genitief: des Weines.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Zum Abendessen trinken wir gerne ein Glas Wein.
Bij het avondeten drinken we graag een glas wijn.
Nach dem Essen schenkte der Kellner den Gästen Wein, obwohl der Sommelier empfohlen hatte, einen trockeneren Jahrgang zu wählen.
Na de maaltijd schonk de ober wijn voor de gasten, hoewel de sommelier had aangeraden een drogere jaargang te kiezen.
Der Wein ist sehr gut.
De wijn is erg goed.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALWeine

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Weindie Weine
genitivedes Weinesder Weine
dativedem Weinden Weinen
accusativeden Weindie Weine

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️een glas rode wijn
⚧️der = stel je een mannelijke wijnboer voor die een glas wijn vasthoudt

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wein is een veelvoorkomend mannelijk zelfstandig naamwoord; meervoud: Weine wanneer het om soorten wijn gaat.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS