verb
verliezen, kwijtraken
A2
verlieren betekent ‘verliezen’, ‘kwijtraken’ of ‘verliezen bij een wedstrijd’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: verlier- in de tegenwoordige tijd, maar verlor- / verloren in verleden tijd en voltooid deelwoord. Perfect met haben; niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich verliere mein Portemonnaie nicht.
Ik ga mijn portemonnee niet verliezen.
Ich habe mein Handy verloren.
Ik ben mijn telefoon kwijtgeraakt.
Obwohl die Mannschaft hart spielte, verlor sie das Spiel, weil der Gegner cleverer agierte.
Hoewel het team hard speelde, verloor het de wedstrijd omdat de tegenstander slimmer handelde.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een persoon voor die een ticket in een doos met het label «LOST» laat vallen, met daarboven een groot bord «VERLIEREN».
Denk aan «ver-LOSE-en» — het werkwoord eindigt met een klank die lijkt op «lose».
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikt voor het verliezen van voorwerpen, wedstrijden of abstracte dingen (bijv. «Mut verlieren»). Het voltooid deelwoord is «verloren» en het perfectum gebruikt «haben» (hat verloren). Veelvoorkomende verwarring: «verlieren» (verliezen) vs. «verpassen» (missen). In spreektaal hoor je soms de korte gebiedende wijs «Verlier nicht!» in plaats van het vollere «Verliere nicht!».