treffen

verb
ontmoeten, treffen, raken
A1

treffen is een sterk onregelmatig werkwoord en betekent ‘ontmoeten’ of ‘raken/slaan’. Hulpwerkwoord: haben. Voltooid deelwoord: getroffen. Stamklinkerwisseling e → i in de tegenwoordige tijd: du triffst, er trifft. Niet scheidbaar. Kan ook reflexief zijn: sich treffen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Maria hat gestern ihre Freunde getroffen.
Maria heeft gisteren haar vrienden ontmoet.
Er traf eine wichtige Entscheidung.
Hij nam een belangrijke beslissing.
Die Kollegen trafen sich im Café, weil sie über das Projekt sprechen wollten.
De collega's ontmoetten elkaar in het café omdat ze over het project wilden praten.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESe -> i (triff- in 2./3rd sg present)

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es trifft
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es traf
Perfekter/sie/es hat getroffen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Twee mensen waarvan de « tr » (tri-) lijnen elkaar kruisen — stel je voor dat ze elkaar ontmoeten op een kruispunt.
👂Klinkt een beetje als « traffic » — stel je voor dat je iemand ontmoet in het verkeer.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wordt vaak gebruikt voor zowel geplande afspraken als toevallige ontmoetingen. In de betekenis van « raken » wordt het gebruikt voor fysieke of figuurlijke impact. De vormen van Konjunktiv I in de Präteritum zijn niet van toepassing / worden niet gebruikt in het moderne Duits en zijn daarom in de vervoegingstabel als niet van toepassing gemarkeerd.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichtreffe
dutriffst
er/sie/estrifft
wirtreffen
ihrtrefft
sie/Sietreffen
ichwerde getroffen
duwirst getroffen
er/sie/eswird getroffen
wirwerden getroffen
ihrwerdet getroffen
sie/Siewerden getroffen
ichtreffe
dutreffest
er/sie/estreffe
wirtreffen
ihrtrefft
sie/Sietreffen
ichwerde getroffen
duwerdest getroffen
er/sie/eswerde getroffen
wirwerden getroffen
ihrwerdet getroffen
sie/Siewerden getroffen
ichträfe
duträfest
er/sie/esträfe
wirträfen
ihrträfet
sie/Sieträfen
ichwürde getroffen
duwürdest getroffen
er/sie/eswürde getroffen
wirwürden getroffen
ihrwürdet getroffen
sie/Siewürden getroffen
duTriff!
ihrTrefft!
SieTreffen Sie!