noun
telefoon, telefoontoestel
A1
Telefon is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘telefoon’. Vorm: das Telefon, meervoud die Telefone. Het buigt regelmatig: des Telefons, dem Telefon, den Telefonen. Meestal gaat het om een vaste telefoon; een mobiel heet vaak Handy.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Kannst du mir dein Telefon geben?
Kun je me je telefoon geven?
Das Telefon klingelt, kannst du bitte rangehen?
De telefoon gaat, kun je alsjeblieft opnemen?
Das Telefon klingelt den ganzen Tag.
De telefoon rinkelt de hele dag.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een klassieke telefoonhoorn voor.
Telefon lijkt op «telephone», dus het is makkelijk te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Das Telefon is onzijdig; in de spreektaal zegt men vaak «Handy» voor een mobiele telefoon.