noun
team
A2
Team is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘team’ of ‘groep’. Meervoud: Teams. Het is een leenwoord met gewone -s-vorm: das Team, des Teams. Als collectief krijgt het vaak een enkelvoudige werkwoordsvorm: Das Team ist bereit.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Unser Team hat das Fußballspiel gewonnen.
Ons team heeft de voetbalwedstrijd gewonnen.
Der Trainer lobte das Team, weil es gut spielte, obwohl die Spieler müde waren.
De trainer prees het team omdat het goed speelde, hoewel de spelers moe waren.
Das Team arbeitet gut zusammen.
Het team werkt goed samen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een groep mensen voor met dezelfde shirtjes en ‘Team’ op de rug.
Zoals Engels ‘team’ — hetzelfde woord.
das = onzijdig: denk aan ‘het team’ als één geheel, neutraal.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt gebruikt zoals in het Engels; meervoud vaak Teams. Kan verwijzen naar sport- of werkgroepen.