noun
taal
A1
Sprache is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Sprache. Het betekent ‘taal’ of ‘spraak’, soms ook ‘stijl’ of ‘spreekwijze’. Meervoud: die Sprachen. Gebruikt voor natuurlijke talen: die deutsche Sprache. Veelvoorkomende combinaties: eine Sprache lernen, sprechen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Welche Sprache sprichst du?
Welke taal spreek je?
Der Lehrer sagte, dass viele Teilnehmer die Sprache lernen wollten, obwohl der Kurs anspruchsvoll war.
De leraar zei dat veel deelnemers de taal wilden leren, hoewel de cursus veeleisend was.
Welche Sprache sprichst du?
Welke taal spreek je?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je mensen voor die praten in verschillende tekstballonnen met vlaggen om talen weer te geven
sprache ~ 'speak' in het Engels (vergelijkbaar idee)
die = stel je een vrouwelijke lerares voor die een taalles geeft
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sprache is vrouwelijk en wordt zowel gebruikt voor specifieke talen als voor het algemene begrip taal.