noun
speelgoed, speelgoedartikel
B1
Spielzeug betekent ‘speelgoed’ of ‘speelvoorwerp’: dingen waarmee kinderen spelen. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Spielzeug, meervoud die Spielzeuge. Genitief enkelvoud: des Spielzeugs. Gewone verbuiging, telbaar.
Voorbeelden
Die Mutter kaufte neues Spielzeug, weil das alte kaputtging und die Kinder traurig wurden.
De moeder kocht nieuw speelgoed omdat het oude kapotging en de kinderen verdrietig werden.
Altes Spielzeug liegt auf dem Dachboden.
Oud speelgoed ligt op zolder.
Das Kinderzimmer ist voller Spielzeug.
De kinderkamer is vol speelgoed.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een doos voor met het label ‘Spielzeug’, vol kleurrijk speelgoed.
Spielzeug klinkt als ‘spiel’ (spelen) + ‘toy’ → speel-toy.
Das Spielzeug — das (onzijdig): stel je een klein ‘DAS’-label op de speelgoeddoos voor.
Opmerkingen
Spielzeug is onzijdig en vaak niet-telbaar in algemene contexten, maar heeft een meervoud (Spielzeuge) wanneer het om afzonderlijke items gaat. Kan zowel kinderspeelgoed als novelty-items voor volwassenen aanduiden.