verb
zegevieren, winnen, overwinnen
B1
siegen betekent ‘winnen’ of ‘zegevieren’. Je gebruikt het voor het winnen van een wedstrijd of het overwinnen van een tegenstander. Zwak, regelmatig werkwoord: Perfekt gesiegt, tegenwoordig deelwoord siegend, met haben. Niet wederkerend en niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er siegte im Kampf.
Hij won het gevecht.
Die Mannschaft siegte, obwohl sie viele verletzte Spieler hatte.
Het team won, hoewel het veel geblesseerde spelers had.
Ich siegte im Wettbewerb.
Ik won de wedstrijd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Picture a winner holding a big trophy that says 'SIEG' (German for victory).
Like English 'see-in' — imagine seeing the winner raise their arms.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een regelmatig (zwak) werkwoord dat «winnen» of «zegevieren» betekent. Vaak gebruikt in sport en wedstrijden. Niet verwarren met «gewinnen» (ook «winnen»); «siegen» benadrukt vaak overwinning of triomf. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.