noun
zin, betekenis, bedoeling, inzicht
B1
Sinn (m.) betekent ‘zin’, ‘betekenis’, maar ook ‘doel’ of ‘nut’. Meervoud: Sinne; genitief enkelvoud: des Sinnes. Veelgebruikte combinaties: Sinn für + accusatief, Sinn machen, Sinn geben. Een heel gewoon woord in zowel alledaagse als formelere taal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Politiker diskutierten die Reform, obwohl viele Bürger den Sinn der Änderungen nicht erkannten.
De politici bespraken de hervorming, hoewel veel burgers het nut van de veranderingen niet inzagen.
Was ist der Sinn des Lebens?
Wat is de zin van het leven?
Das macht keinen Sinn.
Dat slaat nergens op.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een gloeilamp voor (een idee/zin) boven het hoofd van een man (der) om 'der Sinn' te onthouden.
DER Sinn — stel je een man (der) voor die knikt omdat hij de betekenis begrijpt; zo onthoud je dat het zelfstandig naamwoord mannelijk is.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sinn is een gewoon zelfstandig naamwoord dat afhankelijk van de context zin, betekenis, bedoeling of begrip kan betekenen. Het volgt sterke mannelijke verbuiging in de lidwoorden.