adjective
veilig, zeker, beveiligd
B1
sicher betekent „veilig”, „zeker” of „betrouwbaar”. Het is een trapbaar bijvoeglijk naamwoord: sicherer, am sichersten. Het kan ook bijwoordelijk gebruikt worden in de betekenis „zeker” of „vast”. Tegenstellingen: gefährlich, unsicher. Veel in sicher sein.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er schrieb die Datei auf einen USB‑Stick, damit die Daten sicher waren, falls der Computer ausfiel.
Hij zette het bestand op een USB-stick zodat de gegevens veilig waren voor het geval de computer uitviel.
Ich bin mir sicher, dass er morgen kommt.
Ik weet zeker dat hij morgen komt.
Fühlst du dich hier sicher?
Voel je je hier veilig?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een afgesloten deur en een vinkje voor om aan te geven dat iets beveiligd is.
Klinkt als ‘sitter’ — stel je iemand voor die zich veilig en op zijn gemak voelt wanneer er een sitter aanwezig is.
N/A
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend bijvoeglijk naamwoord met meerdere verwante betekenissen (je veilig voelen, zeker zijn, of fysiek beveiligd zijn). Komt vaak voor in vaste uitdrukkingen zoals «sich sicher fühlen» (je veilig voelen) en «sicher sein» (zeker zijn).