verb
zetten, plaatsen, neerzetten
A2
setzen betekent ‘zetten, neerzetten, plaatsen’ of ‘iemand laten zitten’. Het is een zwak, niet-scheidbaar werkwoord met haben; voltooid deelwoord: gesetzt. Reflexief: sich setzen = gaan zitten. Veelgebruikt, zowel transitief als reflexief.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Sie hat sich an den Tisch gesetzt.
Ze ging aan tafel zitten.
Er setzte sich auf die Bank.
Hij ging op de bank zitten.
Die Sekretärin setzte die Akten in die Schublade, bevor das Büro geschlossen wurde.
De secretaresse legde de dossiers in de lade voordat het kantoor werd gesloten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een vaas op tafel zet terwijl hij ‘setzen’ zegt.
klinkt als ‘sets-en’ — stel je voor dat je dingen in sets plaatst.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kan transitief zijn (setzen + Akk.) of wederkerend (sich setzen = gaan zitten).