noun
fauteuil, stoel
B1
Sessel betekent ‘fauteuil’ of in ruimere zin ‘comfortabele stoel’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Sessel; meervoud: die Sessel. Genitief enkelvoud: des Sessels. Gewoon woord voor meubels, zonder bijzondere voorzetsels of grammaticale bijzonderheden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Handwerker drehten den schweren Sessel in die Ecke, damit das Parkett repariert werden konnte.
De vaklieden draaiden de zware fauteuil in de hoek zodat het parket kon worden gerepareerd.
Der alte Sessel ist sehr bequem.
De oude fauteuil is erg comfortabel.
Der Sessel steht neben dem Fenster.
De fauteuil staat naast het raam.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een comfortabele fauteuil voor bij het raam met een kussen.
Klinkt als ‘settle’ — stel je voor dat je neerploft in een fauteuil.
der — denk aan een groot ‘der’-label op de voorpoot van de stoel om het mannelijke geslacht te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een veelvoorkomend meubelstuk; het meervoud is vaak identiek («Sessel») en de datief meervoud krijgt een -n: «den Sesseln».