noun
zender, uitzender, omroep
B1
Sender betekent ‘zender’, ‘uitzender’ of in mediacontext ‘omroep/televisiezender’. Meervoud: Sender, dus dezelfde vorm. Mannelijk zelfstandig naamwoord; genitief enkelvoud: des Senders, datief meervoud: den Sendern.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Welchen Fernsehsender siehst du am liebsten?
Welke tv-zender kijk je het liefst?
Der Sender steht auf dem Dach.
De zender staat op het dak.
Der Sender überträgt die Nachrichten live.
De zender zendt het nieuws live uit.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een antennetoren voor die signalen de lucht in stuurt.
Lijkt op het Engelse ‘sender’ — iemand of iets dat iets verstuurt.
der Sender — denk aan ‘der’ als de mannelijke dj bij de zender.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verwijst vaak naar een apparaat of station dat radio-/tv-signalen uitzendt; kan in mediacontexten ook ‘omroep’ betekenen.