pronoun
zelf, eigen
B1
selber is een versterkend woord met de betekenis ‘zelf’, ‘persoonlijk’ of ‘in eigen persoon’. Het is informeler dan selbst. Het is geen wederkerig werkwoord en ook geen voorzetsel; het benadrukt het woord waar het bij hoort, zoals in ich selber.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Schülerin wollte das Problem selber lösen, weil sie glaubte, dass sie die Lösung dann besser verstehen würde.
De leerlinge wilde het probleem zelf oplossen, omdat ze dacht dat ze de oplossing dan beter zou begrijpen.
Er hat das Buch selber gekauft.
Hij heeft het boek zelf gekocht.
Ich mache das selber.
Ik doe het zelf.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een persoon die met de duim naar zichzelf wijst om aan te geven: ‘ik heb het zelf gedaan’
klinkt als ‘seller’ — maar wijs naar jezelf om te onthouden dat het over ‘self’ gaat
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikt ter nadruk (informeel) in de betekenis van ‘zelf’ of ‘dezelfde persoon / hetzelfde ding’. Vaak uitwisselbaar met ‘selbst’, maar ‘selber’ is informeler.