rennen

verb
rennen, hardlopen
B1

rennen betekent ‘rennen’, ‘hardlopen’ of ‘snel wegrennen’. Het is een onovergankelijk werkwoord en vormt het perfectum met sein: ist/sind gerannt. Sterk/onregelmatig: verleden tijd rannte, voltooid deelwoord gerannt. Niet wederkerend en zonder vaste prepositie.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Ich renne schnell.
Ik ren snel.
Wir rannten zur Grenze.
We renden naar de grens.
Er rannte um sein Leben.
Hij rende voor zijn leven.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYsein
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEmixed
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESpast/participle irregular: präteritum 'rannte', participle 'gerannt'

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es rennt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es rannte
Perfekter/sie/es ist gerannt

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je iemand voor die rent, terwijl het woord «ren-nen» klinkt als twee snelle stappen: ren-nen.
👂Klinkt als het Engelse «run» (kort en actief).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

In de voltooide tijd wordt vaak «sein» gebruikt (bijv. «er ist gerannt»). Het werkwoord kan zowel gewoon rennen als competitief hardlopen betekenen. Onovergankelijk werkwoord; persoonlijke passieve vormen worden doorgaans niet gebruikt (een onpersoonlijk passief zoals «Es wird gerannt» bestaat wel, maar geen echt persoonlijk passief met object).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichrenne
durennst
er/sie/esrennt
wirrennen
ihrrennt
sie/Sierennen
ichrenne
durennest
er/sie/esrenne
wirrennen
ihrrennet
sie/Sierennen
ichwürde rennen
duwürdest rennen
er/sie/eswürde rennen
wirwürden rennen
ihrwürdet rennen
sie/Siewürden rennen
durenn!
ihrrennt!
Sierennen!