noun
meester, expert
B1
Meister betekent ‘meester’, ‘vakman’ of iemand met een beroepstitel. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Meister. Meervoud: die Meister. Genitief: des Meisters. Veel gebruikt in ambacht, sport en als eretitel; vrouwelijke vorm: Meisterin.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Betrieb ernannte den Mitarbeiter zum Meister, weil er die Prüfung bestand, damit er die Lehrlinge anleiten konnte.
Het bedrijf benoemde de werknemer tot meester omdat hij voor het examen slaagde, zodat hij de leerlingen kon begeleiden.
Er ist ein Meister seines Fachs.
Hij is een meester in zijn vak.
Der Schachspieler wurde zum Meister gekürt.
De schaker werd tot kampioen gekroond.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een persoon voor met een gouden medaille en de titel «Meister» erboven.
Klinkt als het Engelse «master».
der — meestal een mannelijke beroeps-/titelvorm; onthoud «der Meister»
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt gebruikt voor vakbekwaamheidskwalificaties (Handwerksmeister) en voor kampioenen of zeer bekwame mensen. Het meervoud is vaak «Meister».