noun
jas, mantel
A2
Mantel betekent ‘mantel’ of ‘overjas’, dus een bovenkledingstuk. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Mantel, meervoud die Mäntel. Regelmatige verbuiging met umlaut in het meervoud. Veelgebruikte uitdrukkingen: einen Mantel anziehen / ausziehen.
Voorbeelden
Im Winter trage ich einen dicken Mantel.
In de winter draag ik een dikke jas.
Im Winter brauche ich einen dicken Mantel.
In de winter heb ik een dikke jas nodig.
Als der Kunde den Mantel im Laden bezahlte, stellte die Verkäuferin fest, dass das Preisschild fehlte.
Toen de klant de jas in de winkel betaalde, merkte de verkoopster op dat het prijskaartje ontbrak.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een warme jas voor die aan een haak hangt.
Mantel lijkt op het Engelse «mantle» — denk aan een jas.
der Mantel — mannelijk: stel je een man voor die een jas draagt.
Opmerkingen
Meervoud: «Mäntel» met umlaut in het meervoud.