noun
kat
A2
Katze, de: vrouwelijk zelfstandig naamwoord dat ‘kat’ betekent. Meervoud: Katzen. Regelmatige verbuiging. Veelgebruikt woord voor het huisdier; voor een mannetje zegt men meestal Kater.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Kinder fütterten die Katze, obwohl sie zuerst ängstlich wirkte.
De kinderen voerden de kat, hoewel die eerst bang leek.
Ich habe eine Katze.
Ik heb een kat.
Die Katze schläft auf dem Sofa.
De kat slaapt op de bank.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kleine kat (Katze) voor die opgerold ligt — de ‘z’-klank als een spin.
die — stel je een vrouwelijke kat voor met de naam ‘die Katze’ op een kussen.