Großvater

noun
grootvader, opa
A1

Großvater (m.) betekent ‘grootvader’ of gewoon ‘opa’. Meervoud: Großväter, met umlaut en -er. Verbuigt normaal: des Großvaters, dem Großvater. In de omgangstaal zegt men vaak Opa. Geschikt voor zowel formele als familiale context.

Voorbeelden

Mein Großvater erzählt oft Geschichten von früher.
Mijn grootvader vertelt vaak verhalen van vroeger.
Der Junge besuchte den Großvater, der früher als Lehrer arbeitete, obwohl die Fahrt lang war.
De jongen bezocht zijn grootvader, die vroeger als leraar werkte, hoewel de reis lang was.
Der Großvater liest der Familie eine Geschichte vor.
De grootvader leest de familie een verhaal voor.

Details

MeervoudGroßväter

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Großvaterdie Großväter
genitivedes Großvatersder Großväter
dativedem Großvaterden Großvätern
accusativeden Großvaterdie Großväter

Ezelsbruggetjes

👁️een oudere man met een wandelstok: je grootvader
⚧️der (mannelijk) — zoals ‘Vater’, dat ook mannelijk is

Opmerkingen

Informeel alternatief: ‘Opa’.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek