noun
grootvader, opa
A1
Großvater (m.) betekent ‘grootvader’ of gewoon ‘opa’. Meervoud: Großväter, met umlaut en -er. Verbuigt normaal: des Großvaters, dem Großvater. In de omgangstaal zegt men vaak Opa. Geschikt voor zowel formele als familiale context.
Voorbeelden
Mein Großvater erzählt oft Geschichten von früher.
Mijn grootvader vertelt vaak verhalen van vroeger.
Der Junge besuchte den Großvater, der früher als Lehrer arbeitete, obwohl die Fahrt lang war.
De jongen bezocht zijn grootvader, die vroeger als leraar werkte, hoewel de reis lang was.
Der Großvater liest der Familie eine Geschichte vor.
De grootvader leest de familie een verhaal voor.
Details
Ezelsbruggetjes
een oudere man met een wandelstok: je grootvader
der (mannelijk) — zoals ‘Vater’, dat ook mannelijk is
Opmerkingen
Informeel alternatief: ‘Opa’.