noun
vlucht, vliegreis
A2
Flug betekent vooral ‘vlucht’ in de zin van een reis per vliegtuig, maar ook ‘het vliegen’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Flug. Meervoud: die Flüge. Je ziet het vaak in dienstregelingen, vluchtnummers en boekingen; geen vaste prepositie.
Voorbeelden
Ich habe den Flug gebucht.
Ik heb de vlucht geboekt.
Mein Flug nach Berlin geht um zehn Uhr.
Mijn vlucht naar Berlijn vertrekt om tien uur.
Die Familie änderte den Urlaub, nachdem sie wegen des Flugs neue Verbindungen suchten.
Het gezin veranderde de vakantie nadat ze vanwege de vlucht naar nieuwe aansluitingen hadden gezocht.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vliegtuig voor dat opstijgt wanneer je „Flug” hoort.
Klinkt als „flue” — denk aan vliegen door de „lucht”.
der — „der Flug” (een mannelijk woord).
Opmerkingen
Wordt gebruikt voor reizen per vliegtuig; gebruikelijk in reiscontexten.